De jak (ook wel gespeld als yak), komt oorspronkelijk uit Nepal/Himalaya, waar deze rundersoort in het wild leeft. Ze zijn bijzonder goed aangepast aan de koude en komen daar voor tot op 6000 meter hoogte. De lange zwarte haren van de vacht hangen tot op de grond. Temperaturen die daar gemakkelijk onder de -30 graden Celsius komen zijn met deze vacht geen probleem.

De tamme jak is minder groot dan zijn wilde broer, maar heeft ook lang haar in verschillende kleurvariaties van zwart, bruin tot roodachtig. De jak kan bijzonder goed klimmen en wordt in het hooggebergte van Tibet door de nomaden als lastdier gebruikt. Daarnaast levert de jak zijn eigenaar melk, waarvan o.a boter gemaakt wordt (Tibetaanse boterthee), brandstof en vlees. Van de haren worden tenten gemaakt en de onder wol wordt gebruikt voor kleding. Deze onderharen zijn fijn van structuur en hebben daardoor goede isolerende eigenschappen. In principe wordt het haar gebruikt welke de jak tijdens het verharen verliest. Dieren die meer specifiek voor hun wol gehouden worden, worden eens in de twee jaar geschoren.

Omdat jak runderen minder veeleisend zijn, voor meer toepassingen gebruikt kunnen worden en een grotere opbrengt hebben per jaar, en de wol kwalitatief dicht in de buurt komt van de Kasjmir wol, is deze wol-soort een zeer goed en betaalbaarder alternatief voor de wol van de chyangra geit.

Jak wol is warmer dan merino-wol en bijna zo zacht en soepel als Kasjmir-wol. De dekbedden kleuren iets donker en zijn daarom in de handel minder gewenst maar qua prijs/kwaliteit verhouding is dit een prachtige dekbedvulling.

< Overzicht wolsoorten

> Producten Jak haar